WAT IS MODEL?


Wat is model? Het grijze wollen Nederlandse uniform tussen 1912 en 1940

In de afgelopen nummers van Opmars heb ik steeds een nieuw boek onder de loep genomen. Ditmaal geen compleet boek, maar een recent verschenen artikel in een tijdschrift, of beter het jaarboek van het Legermuseum te Delft. Ik heb het over het artikel van M. Pool & M. van Hattem, ‘De eentonigheid der grijze kleeding, ontwerp en materiaal van de veldgrijze veldjas 1912-1940' dat verschenen is in Armamentaria 42 (2007/2008), blz. 86-115.

Het artikel is om verschillende hoofdthema’s opgebouwd, die nauw met elkaar verbonden zijn. Ten eerste het model van de nieuwe jas en al zijn varianten. De gebreken en klachten die er zoal waren. En tenslotte de wol waar de jassen van werden gemaakt. Het doel is vooral een reconstructie te maken van het ontwerp en het materiaal van de veldgrijze jas. Het is niet helemaal duidelijk waarom in dit onderzoek niet direct de broek is ook meegenomen. De opzet van het onderzoek is keurig, namelijk uitgaan van de voorschriften, de correspondentie m.b.t. de ontwikkelingen, de aanschaf en de standmodellen, de officieel goedgekeurde kledingstukken die als voorbeelden dienden voor productie. Het gevaar is immers altijd te verzanden in het bevestigen van fabeltjes die in de museum- en verzamelwereld heersen. Dit is grotendeels gelukt, maar hier en daar zijn er toch iets te snelle aannames opgenomen. Ongetwijfeld zullen die bij de eindpublicatie, waarvoor het artikel in Armamentaria een opwarmertje is, wel gladgestreken zijn. Opvallend is dat in het artikel zowel het van rijkswege verstrekte pak als dat via privé aanschaf verkregen buitenmodel samen worden genomen. Het ware wellicht beter hier iets meer onderscheid in te maken vooral vanwege de duidelijk verschillende context van beide.

Nederland is begin 20e eeuw in het internationale perspectief nergens progressief maar sterk volgend geweest in de ontwikkeling naar gedekte kleuren van het militaire tenue. Opvallend is dat blijkbaar vooral naar Duitsland gekeken is. Daar verschijnt het eerste grijze pak in 1907. In 1913 is er al een grootscheepse oefening waar het mogelijk was alle soldaten in grijs te hullen. Die oefening werd zoals we weten het jaar daarop ‘voor het eggie’ voortgezet.
Er is nog een tweede opmerkelijke feit qua afwachtendheid van het Nederlandse leger. Waar bij landen als Engeland en Duitsland met name door de ervaringen in hun Koloniën en tijdens de Bokseropstand (in China) de kleur van het uniform beïnvloed is, heeft het KNIL en onze ervaringen in de Oost geen enkele invloed gehad. Was het KNIL van ondergeschikt belang ten opzichte van het leger thuis? Je zou het gaan denken!
Vervolgens gaat het artikel in op de verschillen tussen de Duitse en Nederlandse jas. Hier wordt alleen de stand van de kraag en de plaatsing van de zakken aan de voorkant vermeld. Uiteraard verschillen de modellen veel meer: de schnitt, de indeling van de panden, de vlag, de mouwomslagen. Wel is er duidelijk een besef van traditie, die omwille van economische druk in Duitsland sneller verdwijnt dan in Nederland. Echter ook in Nederland is de verwrongen economische toestand als gevolg van WO I te voelen. En daarmee zal ook ons pak veranderen.
De traditie was hier toch ook al langer aan het wijzigen. In het artikel wordt gesteld dat met het model 1905 uniform in feite afscheid genomen is van de 19e eeuwse rok. Uiteraard is dit al eerder gebeurd bij de in 1895 in gebruik genomen korte jas. Het enige dat daar nog als rok-element in zit zijn de dubbele knopenrij en de vlag. Op dat moment is er ook een wijziging van de wapenkleuren der dienstvakken, die voortgezet wordt in het model 1905. Pas bij het grijze pak gaan die kleuren weer op de helling, om tijdens WO II voor een deel weer teruggedraaid te worden naar die van het einde van de 19e eeuw.

Voor de auteurs is de liggende kraag een belangrijk punt. Het verlaten van dit element in het Duitse uniform wordt als een zeer belangrijke progressie gezien. Hier wordt aan voorbijgegaan dat het Franse leger gedurende WO I is blijven volharden in de staande kraag. Ook bij het Belgische leger is deze ontwikkeling te zien. Zij zijn pas eind jaren ’30 overgegaan naar een liggende kraag. Het element van de zogenaamde stijfheid speelde daar blijkbaar ook geen doorslaggevende rol.
Het is overigens in dit kader interessant om eens na te gaan wat de bewegingen bij de Koninklijke Marine, in tegenstelling tot de Koninklijke Landmacht, zijn geweest om het Korps Mariniers in de jaren ’30 wel uit te rusten met wollen jassen met een dubbele liggende kraag.

De plaats van de borstzakken op het Nederlandse pak wordt beschreven als een element dat van hogerhand is verordonneerd omwille van het oude traditionele besef dat het uniform de uitstraling van weleer moest hebben. Echter hier zal ook het praktische meespelen, en wellicht zelfs als doorslaggevend element. De plaats van de eventuele schootzakken direct onder de uitrusting is uiterst onhandig. De Nederlandse infanterie blokpatroontassen laten namelijk weinig ruimte over om gemakkelijk een zak daaronder te kunnen bereiken. Een bevestiging is te vinden in het feit dat aan het kader was vergund om extra zakken op te laten naaien. Dat gebeurde in eerste instantie vooral bij de borstzakken. Hierbij werd een extra, vaak geplooide zak opgenaaid waarbij de oude klep van de interne borstzak op zijn plaats bleef. Het aanbrengen van schootzakken zie je vooral bij het 1e grijs, het nette pak, waarbij het dragen van uitrusting geen issue was. Bij veel van de officierstenues zal vanwege het type uitrusting de mogelijkheid tot het gebruik van de schootzakken ook te velde aanwezig zijn. De enorme variëteit qua zakken binnen het officierstenue heeft er alles mee te maken dat er geen strikte omschrijving was van de vorm van de zakken met klep. Net zo min als die er was voor de aard en kleur van de grijze wollen (of voor het zomertenue katoenen) stof.

De biezen in de jas is een bron van discussie geweest die mede opgaat met het model van de kraag. De auteurs van het artikel geven een zeer interessante redenering weer van hoofdintendant Alba die in 1919 het verzoek krijgt biezen maar af te schaffen. Het argument om dat te vragen is dat de jas beter gecamoufleerd is. Zijn antwoord is terecht dat zo’n biesje op 40 m afstand toch niet te zien is. Hij geeft een veel belangrijker redenering om de biezen te handhaven: De kraag is potentieel het meest vuilgevoelige stuk van de jas. Bij vernieuwing van de bies oogt de jas weer als nieuw. Bovendien kan de bies een kleurverschil van een eventueel nieuw opgezette kraag of mouwomslag en de rest van de jas wegnemen. Zo is de bies eerder een element van zuinigheid.
De kraag wordt indertijd al als lastig ervaren. Specifieke troepen zoals de militaire vliegers hadden zeker reden tot klagen aangezien hun bewegingsvrijheid werd beperkt. Zij droegen immers niet alleen het grijze, of zwarte, uniform met staande kraag, maar daarover heen nog een laag leren vliegerkleding. Dat tezamen zal de bloedsomloop in de nek geen goed hebben gedaan. Of de rest ook constant moest klagen is de vraag. Het aantal echt zomerse dagen in Nederland is beperkt. Om dan een jas te hebben die in koude prima voldoet door bescherming van de nek is dan eerder een pré. Bij zomerse dagen kunnen werkzaamheden prima worden uitgevoerd in het daartoe bestemde werkpak. Zoals op contemporaine foto’s dan ook te zien is wordt dan de veldjas eronder weggelaten.



Een rij buitenmodeljassen met een grote variatie in de kleur veldgrijs

De jassen der officieren laten in het interbellum een ontwikkeling zien naar een steeds grotere overeenkomst qua model en het gebruik van wollen stof. In de jaren 20 is het nog een warboel van verschillende zakvormen. De overwegend gebruikte stof is lakensche wol. Deze wordt steeds meer verdrongen door het zogenaamde whipcord. Een stofsoort met zekere souplesse en rek, uiterst geschikt voor duurzaam gebruik, zowel als net pak als te velde. De souplesse en stevigheid dankt het vooral aan de diagonale opbouw van de stof met opliggende richels. Dit soort jassen krijgen steeds meer eenvormige zakken: opgenaaide vierkante vlakke schootzakken met klep en borstzakken met verticale plooi of ‘harmonica’ stolp. Ook de maten en onderlinge verhoudingen van de zakken zijn steeds eenvormiger. Hier zullen de confectioneurs op één of andere manier van elkaar hebben afgekeken, waarbij uiteindelijk het best in de marktliggende en eenvoudigst te vervaardigen product overbleef.

Om te komen tot een nieuw model uniform wordt pas in 1937 een commissie samengesteld. Hier laat het artikel zich opvallend leiden door het officierstenue, dat in principe ook toen nog buitenmodel was. Wel zijn er overeenkomsten te bespeuren. Immers de zakken op het manschappenmodel tenue benadert de qua vorm zeer nauw die zoals al enige tijd op het buitenmodel voorkomt: met twee harmonica zakken op de borst en twee gladde externe zakken op de schoot.
De kraag is de belangrijkste innovatie. Hiervoor wordt het dubbele liggende model gekozen, waarbij alleen naar het Duitse voorbeeld wordt verwezen, maar die in feite ook te vinden is op het gelijktijdige marinierspak. Hooguit is de vorm van de punten van de kraag meer uitgesproken bij de landmachtvariant. Het principe van de biezen is volledig verlaten. Op de kraag worden 5 hoekige emblemen als patten aangebracht die per dienstvak de kleur hebben zoals op de voormalige bies. Verder is er daarop ook plaats voor andere emblemen en regimentsnummers. Een dergelijk systeem biedt natuurlijk een zeer grote besparing op aangezien één model jas volstaat. Hooguit het vervangen van kraagemblemen is noodzakelijk bij overgang naar een andere eenheid.
Het officieel invoeren van het nieuw model pak is nooit doorgegaan, blijkens een brief van 6 mei 1940 van de hoofdintendant aan een reserve-officier die vraagt of hij al een nieuw modelletje kon aanschaffen. Op dat moment stond er nog geen datum van officiële afkondiging vast. Die afkondiging is duidelijk ingehaald door de Duitsers die 4 dagen later met hun liggende kraagjes kwamen binnengemarcheerd. Overigens is het Nederlandse nieuw model kraag ook niet voldoende voor de Duitsers gebleken. Zij hebben bij hergebruik van de nieuw model jassen steeds consequent de Nederlandse kraag voor een volledig liggend exemplaar vervangen. Voorbeelden zie je regelmatig op foto’s van ex-Nederlandse jassen in gebruik bij de Arbeitsdienst.

Een rij jassen vlnr: whipcord (wol), zomerstof (katoen), veldgrijs 1940 (wol), veldgrijs 1923 (wol)

De wollen stof van de manschappentenues is steeds van laken geweest inclusief het nieuwe model uit het eind van de jaren ’30. Dit uiteraard afgezien van de werkpakken en de buitenmodelletjes. De wol werd voor 1914 geïmporteerd uit echte schapenlanden als Australië, Zuid-Amerika en Denemarken. De veldgrijze kleur werd verkregen door het in een bepaalde verhouding verspinnen van grijzig geverfde en witte draden. In de jaren ’30 is dit in een verhouding van 85% grijs en 15% ongeverfd. Dit garen werd in lappen geweven die daarna werden gewassen, zwaar gevold, geruwd, geschoren en gestreken of geperst. Het resultaat is dan een naar één richting gestreken glanzend haardek.
De wol kwam in verschillende kwaliteiten, waarbij de lengte bepalend was: hoe langer hoe grover, en in feite dan ook bedoeld voor de lagere rangen. Stofkwaliteiten kregen ook specifieke benamingen:
- Doeskin, voor overjassen, mantels, jekkers, rijbroekenen pantalons voor officieren, veldjassen en pantalons voor onderofficieren
- Zephir, voor petten en sjako’s van officieren
- Croisé, voor korte jassen, veldjassen en pantalons voor officieren
- Satin, pantalons voor officieren

De wolinvoer uit de genoemde gebieden stagneerde uiteraard in WO I. Het eigen gebruik in die landen kreeg de voorkeur, het transport naar Nederland werd bijna onmogelijk en Nederland moest omwille van de neutraliteitspolitiek aan eigen productie de voorkeur geven. Maar Nederlandse schapen kunnen niet diezelfde kwaliteit wol leveren als uit eerder genoemde landen. Een tweede probleem was de verfstof. De eerste aanmaak was geïmporteerd uit Duitsland. Die bron was echter uitgeput vanwege hun eigen oorlogsgebruik. In Nederland lag het monopolie van de productie van wollen stoffen ten behoeve van het leger in Tilburg. Daar was men er achter gekomen dat op kleurstoffen bespaard kon worden door lompen te verwerken in de stof. Hiermee werd de stof echter wel zwakker. De verschillen in de kleuren vielen niet op aangezien er tussen verschillende verfbaden altijd kleurverschillen voorkomen. De ervaringen uit WO I met de oplichting door de Tilburgers heeft het leger er toe gezet meer aandacht te besteden aan de mogelijkheden van controle en het maximaliseren van de mogelijke productie. Verfstoffen werden bij voorbaat al ingeslagen en veilig opgeborgen binnen de Vesting Holland. De toenemende spanning zorgde voor het wegvallen van werkeloosheid in de textielbranche, net zoals dat in 14-18 ook gebeurde. Er waren contracten gesloten met individuele confectioneurs die aan het leger gebonden waren. De krapte aan wol deed zich ook al gauw merken. Het is geen wonder dat ondanks alle bezwaren er als snel kunstwol verwerkt moest gaan worden, soms zelfs in verhoudingen als 60% wol en 40% kunstwol. Doordat alles in tegenstelling tot tijdens WO I zo goed georganiseerd was, bleek dat er na mei 1940 wel een erg prachtig gebaand pad lag voor voortzetting onder nieuw management!

Kortom het artikel in Armamentaria is zeer zeker het lezen waard. De enige storende fouten zijn te vinden in de onderschriften van de afbeeldingen. De auteurs zijn hier ongetwijfeld niet voor verantwoordelijk als de specifieke objecten onder die benaming in de museumregistratie zijn opgenomen. Zo is het uniform van afb. 12 gezien het brevetembleem op de borst, het dienstvakembleem op de kraag en de kleur van de biezen geen vlieger-waarnemer, maar van een waarnemer. En is de 1940 nieuw model jas van afb. 14 geen Garde Jagers, die benaming komt immers pas in 1951 in zwang.

© Arjen Bosman, 2008


NB
Dit artikel is eerder verschenen in de "Opmars", 13e jaargang, nr. 72, april 2008. OPMARS is het tweemaandelijkse magazine van de Vereniging Historische Militaria (
www.livinghistory.nl).

WAT IS MODEL?