BIJ DE SOLDATEN MOET JE ZIJN


Bij de soldaten...

Leven 't militaire leven,
bij de soldaten is het schoon.
Ik zit er nou in een maand of zeven
en 't is waarlijk niet gewoon.
's Morgens vroeg bij de raveille
kom je zoo lekker uit je slaap.
Staat de kipraal al voor je bedje:
"Kom er 's uit, vervloekte aap!"

En dan zeg ik: "Present
ik ben bang voor die vent
want je vliegt op de bon
je gaat in de salon
en dan smijt de foerier
- die vervelende klier -
op je bedje een kuch
'k heb er niet van terug
want zodra ik het ruik
krijg ik pijn in m'n buik
daarna was je je snuit
en dan poets je je spuit
meestal neem je de vlucht
voor die lekkere lucht
want het ruikt naar vernis
en bedorven vis
en je schud voor de pret
eerst de vlooien uit bed.

Oh, wat is die fijn,
bij de soldaten, de soldaten.
Oh, wat is die fijn,
bij de soldaten moet je zijn!

Staat de compie daar aangetrejen
komt de majoor die inspecteert.
Dan komt de luit 's effe loeren
of er geen knopie soms mankeert.
Dan ruk je uit het hele zwikkie
tippelt naar een exercitieveld.
Daar kun je draaien, zwaaien, zwenken
daar wordt je opgeleid tot held.

En 't is rechtsomkeer
en dan nog er 's weer
dan naar links uit de flank
na een uur loop je mank
want je schoen is te groot
en je tippelt je dood
je hebt een gat in je voet
en je sok zit vol bloed
met z'n twee of met vier
gilt die mottige klier
wat een reuze plezier
en je hijgt als een dier
en zo wor 'je gekraakt
en mesjogge gemaakt
met een heel bataljon
met je neus in de zon
wordt er geexerceerd
en dan wordt er geleerd
wat er aan je mankeert
je gezicht is vuurrood
je hebt een kramp in je poot
en het spit in je rug
en dan ga je weer vlug
zo verzwakt als een mug
naar je stroozak terug.

Refrein

Maar is de dienst dan afgeloopen
staat m'n Marietje voor de poort.
Dan is het leed weer gauw vergeeten
omdat die meid me zoo bekoort.
Zij is de dienstmeid uit het kroegie,
't is zoo een immese marmot,
die weet precies wat ik wil hebben,
en hoe ik haar hanteeren mot.

Die lollige druif
die sappige kluif
meestal staat ze bij 't hek
met een glimmende bek
en dan brengt ze wat mee
dat is voor m'n diner
zo'n pondje of twee
van die ossepalet
en dan neem ik een hap
ik ga met 'r op stap
of ik sta in de trap
en dan maak ik een grap
en ik geef 'r een zoen
en ik geef 'r katoen
en meer mag ik niet doen
want ze houdt van fatsoen
glij ik uit per abuis
zegt ze: "H, handen thuis!
Bij je dolgekke huis
en dan vraag ik wanneer
krijg ik n zoentje meer
en dan zegt ze:" Bandiet,
dat vertel ik je niet!
en dan wor' ik zoo naar
en dan wor' ik zoo zwaar
en dan wor' ik zoo raar
ik spring haast uit mekaar
en dan zeg ik:"Wat flauw,
je bent bijna m'n vrouw.
Toe beginnen we nou
maar ze zegt altijd:"Lauw".
zeg wat doe j'in de kou
krijg de rambam nou gauw
zeg schlemielig je blauw
en dan smeer ik 'm vlug
zoo verzwakt als een mug.
naar m'n stroozak terug.

Refrein

Gezongen door Louis Davids (vr 1 juli 1939)